Hof 's-Hertogenbosch oordeelt, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, dat art. 30a Wet WOZ niet in strijd is met hogere regelgeving. X BV heeft geen recht op een hogere proceskostenvergoeding.

In verband met een WOZ-zaak wordt door Rechtbank Oost-Brabant aan X BV een proceskostenvergoeding toegekend van € 546,88. Dit betreft de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand van € 2187,50 (2,5 punten x € 875) waarop de wettelijke vermenigvuldigingsfactor van 0,25 ex art. 30a Wet WOZ wordt losgelaten. Volgens X BV moet art. 30a Wet WOZ buiten toepassing worden verklaard omdat deze onzorgvuldig tot stand is gekomen.

Hof 's-Hertogenbosch oordeelt, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (24/00575, ECLI:NL:HR:2025:46, V-N 2025/5.27), dat art. 30a Wet WOZ niet in strijd is met hogere regelgeving. Het hof verwerpt ook het beroep van X op de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 17 december 2024 (200.342.627, ECLI:NL:GHARL:2024:7764, V-N 2025/2.25). De conclusie van X dat uit deze uitspraak volgt dat art. 30a Wet WOZ discriminatoir is met betrekking tot WOZ- en BPM-zaken, is niet correct. X BV heeft geen recht op een hogere proceskostenvergoeding.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet waardering onroerende zaken artikel 30A

Wet waardering onroerende zaken artikel 16

Instantie: Hof 's-Hertogenbosch

Rubriek: Waardering onroerende zaken, Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 24 juli

Informatiesoort: VN Vandaag

9

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen