X is eigenaar van een perceel grond van 174 m² dat naast de woning van zijn echtgenote ligt en als tuin en oprit wordt gebruikt. Op het perceel rust een kwalitatief beding: een telecombeheerder heeft buizen, kabels en een straatkast geplaatst, waardoor bouwen, diepwortelende beplanting, hekwerken en gesloten verharding verboden zijn. Tevens geldt een doorgangsplicht ten behoeve van de bewoners van het naastgelegen perceel. De heffingsambtenaar stelt de WOZ-waarden vast op € 12.000 (belastingjaren 2020 en 2021) en € 13.000 (2022). X bestrijdt deze waarden.
Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de heffingsambtenaar aannemelijk maakt dat de vastgestelde WOZ-waarden niet te hoog zijn. De heffingsambtenaar onderbouwt de waarden met vier transacties van vergelijkbare percelen waarvan de verkoopprijzen per vierkante meter veel hoger liggen, en met de gemeentelijke Grondprijsbrieven. Ook houdt hij voldoende rekening met de gebruiksbeperkingen. De verwijzing van X naar een uitspraak van Rechtbank Breda over een ander perceel, op een andere waardepeildatum en in een ander deel van het land is niet relevant. Het beroep is ongegrond.
Wetingang:
Wet waardering onroerende zaken artikel 17
Instantie: Hof Arnhem-Leeuwarden
Rubriek: Waardering onroerende zaken
Editie: 3 september
Informatiesoort: VN Vandaag