X schakelt een gemachtigde in in verband met de aan hem opgelegde WOZ-beschikking 2023. Nadat het bezwaar wordt afgewezen, gaat X in beroep. Hij stelt daarbij dat een dwangsom wegens niet tijdig beslissen op bezwaar en een ISV zijn verschuldigd en dat het hoorrecht en art. 40 Wet WOZ zijn geschonden.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X geen recht heeft op een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. Aangezien de dossierstukken geen ingebrekestelling bevatten, maakt X niet aannemelijk dat een ingebrekestelling is verzonden. Ook bestaat geen recht op een ISV, omdat X niet aannemelijk maakt dat het financiële belang bij deze procedure hoger is dan € 1000. De schendingen van het hoorrecht en art. 40 Wet WOZ hebben verder ook geen gevolgen. X heeft in de beroepsfase namelijk voldoende gelegenheid gehad om zijn standpunten naar voren te brengen, maar heeft daar geen gebruik van gemaakt. Voor de schending van art. 40 Wet WOZ geldt dat de heffingsambtenaar de schending in beroep heeft hersteld door de taxatierapporten met matrices in te dienen. Wel kent de rechtbank nog een vergoeding voor de kosten in beroep aan X toe van € 46,70. Ook met de inspecteur het griffierecht van € 51 vergoeden.
Wetingang:
Wet waardering onroerende zaken artikel 4
Algemene wet bestuursrecht artikel 7.2
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 25
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.22
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Waardering onroerende zaken
Editie: 28 augustus
Informatiesoort: VN Vandaag