X is eigenaar van een bedrijfswoning bij een camping annex stalling nabij een industriegebied. De woning is geschakeld aan het bedrijfspand en deelt een hoofdingang met de receptie. De gebruiksoppervlakte bedraagt circa 107 m² en de grondoppervlakte circa 733 m². De heffingsambtenaar stelt de WOZ-waarde voor kalenderjaar 2023 vast op € 474.000 (waardepeildatum 1 januari 2022). Na beroep doet hij een compromisvoorstel van € 255.000. X bepleit € 174.000 op basis van een taxatierapport, opgemaakt bij de aankoop van de woning van haar vader, waarin de taxateur de woning vergelijkt met vier bedrijfswoningen verkocht voor € 250.000 tot € 303.500. In geschil is de WOZ-waarde van de bedrijfswoning op de waardepeildatum 1 januari 2022.
Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de door de heffingsambtenaar gehanteerde vergelijkingsobjecten, vrijstaande woningen uit 1932 tot 1948 in de dorpskern met herrekende verkoopprijzen hoger dan € 550.000, qua ligging, bouwjaar en woningtype niet goed met de bedrijfswoning van X zijn te vergelijken. De heffingsambtenaar slaagt daarmee niet in de op hem rustende bewijslast. De rechtbank acht het door X overgelegde taxatierapport, waarin de woning is vergeleken met vier bedrijfswoningen, wel overtuigend en stelt de waarde vast op de door X bepleite € 174.000.X' beroep is gegrond.
Wetingang:
Wet waardering onroerende zaken artikel 17
Wet waardering onroerende zaken artikel 22
Wet waardering onroerende zaken artikel 30
Instantie: Rechtbank Noord-Holland
Rubriek: Belastingen van lagere overheden, Waardering onroerende zaken
Editie: 3 september
Informatiesoort: VN Vandaag