X BV dient op 14 oktober 2022 een aanvraag in voor een bouwplan en tekent op 23 november 2022 een exploitatieovereenkomst met de gemeente. In art. 3 van die overeenkomst verzoekt X BV de gemeente om een planologische procedure te voeren tot herziening van het bestemmingsplan. Op 21 april 2023 verzoekt X BV om ontbinding van de overeenkomst, waarmee de gemeente instemt. Vervolgens trekt X BV op 17 juli 2023 de aanvraag omgevingsvergunning in. Desalniettemin brengt de heffingsambtenaar € 113.571 aan leges in rekening, waarvan € 54.700 aan planologische leges op basis van bouwkosten van € 1.912.500 en € 40.783 aan leges omgevingsvergunning op basis van bouwkosten van € 2.299.000. In geschil is of de planologische leges terecht zijn geheven en of de leges omgevingsvergunning tot het juiste bedrag in rekening zijn gebracht.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X BV met de ondertekening van de exploitatieovereenkomst een verzoek doet tot herziening van het bestemmingsplan in de zin van art. 1:3 lid 3 Awb. De rechtbank wijst daarbij op art. 3 van de overeenkomst, de mailwisseling, de aanvraag omgevingsvergunning en de intrekking daarvan. De planologische leges zijn terecht en tot het juiste bedrag geheven. Voor de leges omgevingsvergunning hanteert de heffingsambtenaar echter ten onrechte hogere bouwkosten (€ 2.299.000) dan bij de planologische leges (€ 1.912.500). De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vermindert de leges omgevingsvergunning met toepassing van de coördinatieregelingskorting van 10%. Het beroep is gegrond.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 1.3
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Belastingen van lagere overheden
Editie: 2 september
Informatiesoort: VN Vandaag