Erflater X overlijdt in 2021 en heeft in 2019 en 2020 bij wijze van schuldigerkenning tweemaal € 100.000 geschonken aan zijn erfgenaam/kind, X1. Over beide schuldigerkenningen is op jaarbasis 6% rente verschuldigd, te voldoen uiterlijk op 31 december van elk jaar. Er was vóór het overlijden wel één keer € 7000 rente betaald, maar zonder specificatie om welke schuldigerkenning het ging. Volgens de inspecteur is de rente niet volledig voldaan, zodat beide schenkingen kwalificeren als fictieve erfrechtelijke verkrijgingen. Rechtbank Noord-Nederland oordeelt echter dat de rente op de schuldigerkenning van 2019 tijdig en volledig is betaald. De schuldigerkenning van 2020 is terecht als belaste verkrijging uit de erfenis gerekend. De inspecteur gaat in hoger beroep.
Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat voor elke schuldigerkenning afzonderlijk moet worden beoordeeld of voldoende en tijdig rente is betaald. De betaling van € 7000 wordt zoveel mogelijk toegerekend aan de oudste verbintenis, zijnde de schuldigerkenning van 2019. Voor die schuldigerkenning is de verschuldigde rente uiteindelijk tijdig voldaan. Voor de schuldigerkenning uit 2020 geldt dat een deel van de rente niet tijdig is betaald, zodat deze terecht als fictieve verkrijging in de erfbelasting is betrokken. Dat de rentebetalingen niet zijn gespecificeerd in de betalingsomschrijving staat daaraan niet in de weg. Het beroep van de inspecteur is ongegrond.
Wetingang:
Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 artikel 10
Instantie: Hof Arnhem-Leeuwarden
Rubriek: Schenk- en erfbelasting
Editie: 2 september
Informatiesoort: VN Vandaag