X is erfgenaam van erflater die op 30 september 2022 overlijdt. Het testament bevat een legaat dat X het recht geeft de woning gedurende één jaar na overlijden te gebruiken, zonder vergoeding aan de mede-erfgenamen maar met alle eigenaarslasten voor zijn rekening. De WOZ-waarde van de woning bedraagt € 512.000. X is ten tijde van het overlijden 63 jaar oud. De inspecteur legt een aanslag erfbelasting op en waardeert het legaat bij uitspraak op bezwaar op € 23.040 (WOZ-waarde × 6% × kapitalisatiefactor 0,75). X maakt bezwaar en stelt dat het legaat moet worden gewaardeerd op circa € 12.000 omdat art. 6 UBSW uitsluitend ziet op levenslange rechten.
In geschil is of art. 6 UBSW van toepassing is op de waardering van een recht van gebruik en bewoning dat maximaal één jaar duurt.
Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat het standpunt van X onjuist is. Het zinsdeel "van het leven van een persoon afhankelijk" in art. 6 UBSW betekent niet levenslang, maar dat het vruchtgebruik eindigt bij een eventueel eerder overlijden van de vruchtgebruiker. De rechtbank past art. 6 UBSW toe met de kapitalisatiefactor 0,75 en houdt daarnaast rekening met € 2310 eigenaarslasten, overeenkomstig het in de loop van het geding door de inspecteur ingenomen standpunt. De waarde van het vruchtgebruik bedraagt daarmee € 20.730. Het beroep is gegrond.
Wetingang:
Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 artikel 5
Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 artikel 6
Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 artikel 10
Instantie: Rechtbank Noord-Holland
Rubriek: Schenk- en erfbelasting, Erfrecht
Editie: 21 augustus
Informatiesoort: VN Vandaag