X doet op 13 april 2023 aangifte BPM ter zake van de inschrijving van een Volkswagen T-Roc en voldoet € 387. X beroept zich op de taxatiemethode en voegt een taxatierapport bij. De inspecteur laat een hertaxatie verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken en legt een naheffingsaanslag van € 9.673 op op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel. De RDW registreert de CO2-uitstoot op 218 gr/km NEDC. X geeft in de aangifte 153 gr/km NEDC aan en overlegt in beroep een CVO dat een CO2-uitstoot van 155 gr/km NEDC vermeldt. De inspecteur stelt dat enkel een CVO onvoldoende is en dat de RDW de auto fysiek wil beoordelen vanwege mogelijke fraude met CVO's.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X de CO2-uitstoot ook in beroep ter discussie kan stellen, zonder dat een procedure bij de RDW vereist is. De rechtbank baseert dit op de toelichting bij de ministeriële regeling van 18 december 2019, waaruit volgt dat een belanghebbende niet verplicht is dezelfde discussie bij zowel de RDW als de inspecteur te voeren. De niet-gespecificeerde stelling van de inspecteur over fraude met CVO's acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De rechtbank acht het CVO aannemelijk en stelt de CO2-uitstoot op 155 gr/km NEDC. De historische bruto BPM bedraagt daarmee € 10.990 en de naheffingsaanslag wordt verminderd tot € 2.525.
Wetingang:
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 artikel 1
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Belastingheffing van motorrijtuigen
Editie: 21 augustus
Informatiesoort: VN Vandaag