X ontvangt een voorlopige aanslag IB/PVV 2022 van € 153.858. De ontvanger biedt een invorderingspauze aan vanwege een mogelijk onjuiste aanslag. Tijdens deze pauze stuurt de ontvanger per abuis een betalingsherinnering voor € 111.897, waarna X dit bedrag in twee termijnen voldoet. De ontvanger erkent de fout en zegt terugbetaling toe, maar betaalt pas na geruime tijd terug: € 47.800 op 10 oktober 2024 en € 64.097 op 16 oktober 2025. De ontvanger vergoedt bij beschikking € 5.444 aan invorderingsrente. X maakt bezwaar en vordert € 8.979 aan wettelijke rente. In geschil is of over te laat terugbetaalde belasting invorderingsrente (art. 28a IW) of wettelijke rente (afdeling 4.4.2 Awb) verschuldigd is.
Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de hoofdsom waarover rente is vergoed het bedrag van een belastingaanslag is. Juist daarvoor is art. 28a IW geschreven. Met inachtneming van art. 4:103 Awb blijft afdeling 4.4.2 Awb buiten toepassing. Het versturen van de betalingsherinnering vormt geen onrechtmatige daad, omdat deze geen rechtsgevolg heeft en niet als invorderingsmaatregel geldt. De te late terugbetaling geeft geen grond voor aanvullende schadevergoeding, omdat de vergoede 4% invorderingsrente een percentage is dat elders in het huidige economische verkeer over uitstaande bedragen niet te behalen is. X' beroep is ongegrond.
Wetingang:
Invorderingswet 1990 artikel 28A
Instantie: Rechtbank Noord-Holland
Rubriek: Invordering, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 21 augustus
Informatiesoort: VN Vandaag