Rechtbank Den Haag oordeelt dat de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de navorderingsaanslag VPB 2019 achterwege dient te blijven, omdat de inspecteur de aanslag niet tevens aan de adviseur stuurt ondanks uitvoerige voorafgaande correspondentie.

Op 15 november 2024 informeert de inspecteur X BV over het voornemen een navorderingsaanslag VPB 2019 op te leggen. Na correspondentie hierover tussen

de Belastingdienst en de adviseur van X BV krijgt de adviseur op 29 november 2024 een e-mail waarin staat dat de navorderingsaanslag VPB 2019 is opgelegd wegens aanstaande verjaring. De adviseur verzoekt op 5 december 2024 om een duplicaat, omdat X BV de aanslag niet ontvangt. De inspecteur stuurt op 21 december 2024 de navorderingsaanslag uitsluitend naar het adres van X BV. X BV maakt op 14 maart 2025 bezwaar na ontvangst van een betalingsherinnering. De inspecteur verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. In geschil is of de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat de niet-ontvankelijkverklaring achterwege dient te blijven. Gelet op de uitvoerige correspondentie die de controlemedewerker voorafgaand aan het opleggen van de aanslag met de adviseur voert en het feit dat de adviseur om een duplicaat verzoekt, ligt het op de weg van de inspecteur om de aanslag tevens aan de adviseur te sturen. De rechtbank ziet hierin een omstandigheid op grond waarvan de termijnoverschrijding X BV niet is toe te rekenen. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar en wijst de zaak terug naar de inspecteur. X' beroep is gegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 22J

Algemene wet bestuursrecht artikel 6.9

Algemene wet bestuursrecht artikel 6.11

Instantie: Rechtbank Den Haag

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 21 augustus

Informatiesoort: VN Vandaag

6

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen