Hoewel de oudedagsverplichting (ODV) volgend jaar haar tiende verjaardag viert, is zij voor de DGA een nog relatief nieuw fenomeen.
De ODV ontstond bij de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer. De fiscale waarde van de pensioenverplichting die recht gaf op een levenslange uitkering van ouderdomspensioen kon worden omgezet in een ODV. De ODV-aanspraak bestaat uit een periodieke uitkering gedurende maximaal twintig jaar. Overlijdt de ODV-gerechtigde vóór het einde van die periode, dan gaan de resterende uitkeringen over op de erfgenamen of legatarissen.
In beginsel bepaalt het erfrecht dus wie gerechtigd worden tot de ODV-uitkering. De ODV-gerechtigde kan van het wettelijke erfrecht afwijken door een testament op te stellen. Daarin kunnen de ODV-aanspraken aan de gewenste persoon worden gelegateerd. Anders dan bij nabestaandenpensioen, kan ook een verre nicht, buurman of andere natuurlijke persoon de gehele of gedeeltelijke aanspraak verkrijgen. Veel is mogelijk, mits de verkrijger een natuurlijk persoon is. Een vergelijkbare vrijheid geldt voor lijfrente- en bankspaarrekeningen.
Art. 38p lid 4 Wet LB 1964 verklaart de pensioenvrijstelling van art. 32 lid 3 SW 1956 van overeenkomstige toepassing op verkregen ODV-aanspraken. De verkrijging daarvan is dus op grond van art. 32 lid 1 ten vijfde SW 1956 vrijgesteld van erfbelasting. Bij de partner wordt de waarde van de aanspraken wel op de partnervrijstelling geïmputeerd.
Sinds 1 januari 2025 kan de ODV-aanspraak toekomen aan een legataris die geen erfgenaam is. Tot die tijd moest de legataris tevens mede-erfgenaam zijn (zie Handreiking ODV-aanspraken en overlijden (versie 3 maart 2026), scenario 4). Bovendien mogen erfgenamen en legatarissen de verkregen ODV-aanspraak vanaf 1 januari 2026 verdelen in afwijking van hun verkregen aandeel.
Maar wie mag dan de ODV-vrijstelling toepassen? Stel dat de erflater zijn twee kinderen ieder voor de helft tot erfgenaam benoemt en de nalatenschap bestaat uit een woning en ODV-aanspraken. De kinderen besluiten de nalatenschap zo te verdelen dat kind A de woning krijgt en kind B de ODV-aanspraken. Voor de heffing van erfbelasting wordt geen rekening gehouden met de verdeling van de huwelijksgemeenschap en nalatenschap (HR 2 januari 1903, PW 9536). Dat betekent dat beide kinderen ieder voor de helft een beroep op de ODV-vrijstelling kunnen doen, terwijl alleen kind B de uitkeringen ontvangt.
Bij de toepassing van de vrijstelling schuurt echter iets anders. De pensioenvrijstelling vindt haar rechtvaardiging in de verzorgingsgedachte: zij is bedoeld om na het overlijden de financiële positie van de partner en kinderen te beschermen (Kamerstukken II 1965/66, 8407, nr. 3, p. 3-4). Bij de ODV ontbreekt echter een beperking aan de verkrijgerskring. Ook een verre nicht, buurman of andere natuurlijke persoon kan de aanspraak verkrijgen en van de vrijstelling profiteren. Van die oorspronkelijke verzorgingsgedachte is dan weinig meer over. De ODV wordt zo een fiscaal bevoordeeld vermogensbestanddeel dat vrij van erfbelasting kan worden nagelaten. Dat maakt haar een aantrekkelijke planningstool, maar is moeilijk te rechtvaardigen. Want waarom is een geldbedrag belast en een aanspraak op ODV-uitkeringen vrijgesteld? De vraag is daarom of de vrijstelling voor pensioen- en lijfrenteaanspraken niet moet worden teruggebracht tot de kring waarvoor zij bedoeld is: de partner en kinderen.