Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de waarderingsregel voor privégebruik auto in art. 13bis Wet LB 1964 niet in strijd is met art. 110 VWEU.

De werkgever van X stelt een auto ter beschikking voor privédoeleinden en houdt per tijdvak loonheffing in op grond van art. 13bis Wet LB 1964. Eerder procedeerde X over dezelfde kwestie bij verschillende instanties, waaronder de Hoge Raad, die het cassatieberoep ongegrond verklaart met verwijzing naar art. 81 RO. Opnieuw maakt X bezwaar tegen de ingehouden loonheffingen over tijdvakken van oktober 2020 tot en met maart 2023. X beroept zich op het arrest Remling (HvJ EU 24 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:243, V-N 2026/17.17) en stelt dat de Hoge Raad niet kan volstaan met een verwijzing naar art. 81 RO.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de waarderingsregel niet in strijd is met art. 110 VWEU. De rechtbank ziet in de argumenten van X geen nieuwe standpunten die tot een ander oordeel kunnen leiden en wijkt niet af van eerdere uitspraken over dit geschilpunt. De verwijzing naar het arrest Remling geeft de rechtbank geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet op de loonbelasting 1964 artikel 13BIS

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie artikel 110

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rubriek: Loonbelasting, Europees belastingrecht

Editie: 24 september

Informatiesoort: VN Vandaag

14

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen