De vader van X overlijdt in 1999. Zijn testament bevat een ouderlijke boedelverdeling: moeder verkrijgt alle goederen en de kinderen krijgen onderbedelingsvorderingen. Tot de nalatenschap behoort de echtelijke woning. In de aangifte erfbelasting waarderen de erfgenamen de woning uitgaande van de WOZ-waarde peildatum 1995 van NLG 423.000. De WOZ-waarde peildatum 1999 bedraagt NLG 595.000 (€ 269.999). De inspecteur stelt de aanslagen erfbelasting vast op basis van een woningwaarde van NLG 423.000. In 2023 overlijdt erflaatster. De inspecteur legt X een aanslag erfbelasting op en baseert de overbedelingsschuld op basis van de woningwaarde van NLG 423.000. In geschil is op welke woningwaarde de inspecteur de overbedelingsschuld van erflaatster moet baseren bij het bepalen van de verkrijging van X.
Rechtbank Den Haag oordeelt dat de inspecteur bij de berekening van de overbedelingsschuld moet uitgaan van de werkelijke waarde van de woning ten tijde van het eerste overlijden van € 269.999. De rechtbank verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1127, V-N 2009/47.24, waaruit volgt dat ook wanneer na het eerste overlijden blijkt dat de werkelijke woningwaarde hoger is dan de destijds aangegeven waarde, de inspecteur bij het tweede overlijden de onderbedelingsvordering moet berekenen op basis van de werkelijke woningwaarde. De rechtbank verklaart het beroep gegrond.
Wetingang:
Instantie: Rechtbank Den Haag
Rubriek: Erfrecht, Schenk- en erfbelasting
Editie: 31 juli
Informatiesoort: VN Vandaag
Focus: Focus