Na het overlijden van erflaatster wordt op 9 december 2022 een aangifte erfbelasting ingediend met een zuiver saldo van de nalatenschap van € 1.599.892. Het erfdeel van X bedraagt volgens de aangifte € 111.992 met een bedrag aan verschuldigde erfbelasting van € 9.043. Na onderlinge correspondentie stelt de inspecteur het zuiver saldo vast op € 2.272.900 en het erfdeel van X op € 290.014. De inspecteur legt aan X een aanslag erfbelasting op van € 40.648 en brengt € 5.449 belastingrente in rekening. In geschil is of terecht belastingrente in rekening is gebracht en of deze op het juiste bedrag is berekend.
Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat terecht belastingrente in rekening is gebracht. De uitzondering van art. 30g lid 4 AWR geldt alleen als de aanslag overeenkomstig de aangifte wordt opgelegd. Daarvan is geen sprake omdat het zuiver saldo van de nalatenschap circa € 673.000 hoger is vastgesteld. De inspecteur berekent de rente op basis van beleid alleen over het verschil tussen de aanslag en de aangifte, wat in het voordeel is van X. De grondslag moet verder worden verlaagd omdat de volgens de aangifte verschuldigde erfbelasting € 9.043 bedraagt in plaats van € 4.835. De rechtbank vermindert de belastingrente tot € 4.805.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 15
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 30G
Invorderingswet 1990 artikel 9
Instantie: Rechtbank Noord-Nederland
Rubriek: Schenk- en erfbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 31 juli
Informatiesoort: VN Vandaag