Rechtbank Gelderland oordeelt dat de ontvanger terecht invorderingskosten in rekening brengt voor de voorlopige aanslagen IB/PVV 2023 en 2024, omdat het uitstel van betaling verleend vanwege een bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2017 zich niet uitstrekt tot deze voorlopige aanslagen.

X maakt bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2017 inzake box 3 en vermeldt daarbij dat hij ook voor alle volgende jaren bezwaar maakt. De inspecteur bevestigt uitstel van betaling voor het belastingjaar 2017 en informeert X later dat zijn bezwaar meeloopt in de massaalbezwaarplus-procedure voor de jaren 2017 tot en met 2020. De inspecteur legt voorlopige aanslagen IB/PVV op voor 2024 (€ 3739) en 2023 (€ 1242). X betaalt deze niet tijdig en verzoekt niet om uitstel van betaling. De ontvanger brengt aanmaningskosten (tweemaal € 19) en dwangbevelkosten (€ 101 en € 153) in rekening. X maakt bezwaar tegen deze invorderingskosten en stelt dat hij uitstel van betaling heeft voor alle jaren.

In geschil is of de ontvanger terecht invorderingskosten in rekening brengt ter zake van de niet tijdig betaalde voorlopige aanslagen IB/PVV 2023 en 2024.

Rechtbank Gelderland oordeelt dat de ontvanger terecht invorderingskosten in rekening brengt. Tegen voorlopige aanslagen kan geen bezwaar worden gemaakt, zodat deze niet meelopen in het uitstel van betaling verleend vanwege het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2017. Uit de brieven van de inspecteur en de website van de Belastingdienst blijkt overduidelijk dat het uitstel uitsluitend betrekking heeft op de belastingjaren 2017 tot en met 2020. X had moeten weten dat hij geen uitstel van betaling heeft voor de voorlopige aanslagen over 2023 en 2024.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Invorderingswet 1990 artikel 11

Invorderingswet 1990 artikel 12

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 9.5

Algemene wet bestuursrecht artikel 6.10

Instantie: Rechtbank Gelderland

Rubriek: Invordering, Inkomstenbelasting

Editie: 31 juli

Informatiesoort: VN Vandaag

17

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen