De inspecteur legt X aanslagen IB/PVV en Zvw 2022 op met dagtekening 26 april 2024 en een uiterste betaaldatum van 7 juni 2024. X betaalt niet. De ontvanger stuurt op 26 juni 2024 aanmaningen met elk € 19 aanmaningskosten. Op 9 juli 2024 ontvangt X een schuldenoverzicht. De ontvanger vaardigt op 17 juli 2024 dwangbevelen uit met € 3733 aan kosten voor de aanslag IB/PVV en € 341 voor de aanslag Zvw. X maakt bezwaar en stelt dat hij op 2 juni 2024 aangetekend een verzoek tot uitstel van betaling heeft verstuurd, maar beschikt niet meer over het verzendbewijs. De ontvanger verklaart het bezwaar ongegrond. In geschil is of de ontvanger terecht dwangbevelkosten in rekening brengt, gelet op het gestelde maar niet bewezen uitstelverzoek van X.
Rechtbank Gelderland oordeelt dat op X de bewijslast rust om de verzending van het uitstelverzoek aannemelijk te maken. Hierin slaagt X niet. X ontvangt na het gestelde uitstelverzoek nog een aanmaning en een schuldenoverzicht, waaruit hij kan afleiden dat geen uitstel is verleend. Dat X geen contact opneemt en het verzendbewijs niet bewaart, komt voor zijn rekening en risico. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat dit beginsel ziet op gelijke behandeling ten opzichte van andere belastingplichtigen, niet op consistente behandeling van dezelfde belastingplichtige. Het beroep is ongegrond.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 63
Algemene wet bestuursrecht artikel 4.84
Instantie: Rechtbank Gelderland
Rubriek: Invordering, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 21 augustus
Informatiesoort: VN Vandaag