A-G Keulen is van mening dat X geen beroep op een strafuitsluitingsgrond toekomt, omdat hij op grond van zijn BTW-aangiften heeft nagelaten op de juiste wijze en op de juiste tijdstippen concreet en gespecificeerd uitstel van betaling aan te vragen.

X exploiteert als eenmanszaak een administratiekantoor. X voldoet jarenlang geen BTW (€ 17.409, € 5055,- en € 7428), omdat hij voorrang gaf aan zijn kinderalimentatieverplichtingen. Hij betaalt de latere naheffingsaanslagen met verzuimboeten ook niet. In geschil is of X zich schuldig maakt aan art. 69a AWR. De politierechter geeft hem een taakstraf van 120 uren. Volgens Hof ’s-Hertogenbosch gaat het bij de op grond van art. 67c AWR opgelegde betalingsverzuimboeten (€ 522, € 151 en € 222) om hetzelfde feit als die, waarvoor X nu wordt vervolgd, te weten het opzettelijk niet voldoen van BTW. De eerdere oplegging van verzuimboeten staat in de weg aan de onderhavige strafrechtelijke vervolging. De Hoge Raad (4 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1364, V-N 2022/46.23) oordeelt echter dat de verzuimboeten niet zijn opgelegd ter zake van dezelfde feiten als die nu aan X ten laste zijn gelegd. Na terugwijzing oordeelt Hof ’s-Hertogenbosch dat X heeft nagelaten om op juiste wijze en op de juiste tijdstippen concreet en gespecificeerd uitstel van betaling te vragen. X is strafbaar, maar er wordt geen straf of maatregel opgelegd. Art. 69a AWR is niet bedoeld voor (goedwillende) ondernemers die al dan niet tijdelijk in betalingsproblemen verkeren, waarvan in casu sprake lijkt te zijn. X gaat in cassatie.

Advocaat-Generaal Keulen is van mening dat X geen beroep op een strafuitsluitingsgrond toekomt, omdat is nagelaten op de juiste wijze en op de juiste tijdstippen concreet en gespecificeerd uitstel van betaling aan te vragen. Bij een afspraak met een medewerkster van de Belastingdienst is namelijk uitsluitend zijn lastige persoonlijke situatie toegelicht. Er hoeft geen prejudiciële vraag te worden gesteld, omdat het geschil in de kern nationaalrechtelijk van aard is: waarom wordt het feitsbegrip in art. 68 WvSr en art. 255 lid 1 WvSv niet net zo uitgelegd als het feitsbegrip in art. 50 EU-Handvest? De zaak kan dus ook worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 Wet RO ontleende formulering.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 67C

Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 69A

Wetboek van Strafrecht artikel 68

Wetboek van Strafvordering artikel 243

Wetboek van Strafvordering artikel 255

Wetboek van Strafrecht artikel 9A

Wet op de rechterlijke organisatie artikel 81

Instantie: Hoge Raad (Advocaat-Generaal)

Rubriek: Invordering, Strafrecht, Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 9 september

Informatiesoort: VN Vandaag

11

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen