X woont op een perceel waarop een bedrijfsbestemming rust. In 2004 verleent het college van B en W van de gemeente een vergunning voor het veranderen en vergroten van het woonhuis en verleent daarmee impliciet vrijstelling voor gebruik in strijd met de bestemming. De toegezegde opname van een woonbestemming bij de eerstvolgende bestemmingsplanherziening blijft uit. Omdat X problemen verwacht bij een eventuele verkoop, start hij een TAM-omgevingsplanprocedure en draagt zelf de kosten. De heffingsambtenaar legt een legesaanslag van € 7245 op. In bezwaar herroept de heffingsambtenaar deze en legt een nieuwe aanslag van € 7000 op voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot wijziging van het omgevingsplan. X stelt beroep in.
In geschil is of de heffingsambtenaar leges kan heffen voor het vaststellen van een TAM-omgevingsplan dat op verzoek van X tot stand komt.
Rechtbank Midden-Nederland oordeelt dat het vaststellen van de bestemming van gronden in een omgevingsplan rechtstreeks en vooral het publiek belang dient. Het gewijzigd vaststellen van het omgevingsplan vindt plaats met het oog op de publieke taakuitoefening van de gemeente en houdt niet rechtstreeks en in overheersende mate verband met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. Hoewel indirect sprake is van een particulier belang, is dit juist niet rechtstreeks en in overheersende mate het geval. De rechtbank vernietigt de legesaanslag en verklaart het beroep gegrond.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 1.3
Instantie: Rechtbank Midden-Nederland
Rubriek: Belastingen van lagere overheden
Editie: 9 september
Informatiesoort: VN Vandaag