X sluit op 25 november 2021 een uitzendovereenkomst. In het uitzendbeding staat dat de overeenkomst van rechtswege eindigt bij ziekmelding. X verricht in 2022 arbeid in de weken 1 tot en met 6 en de weken 8 tot en met 13. X meldt zich ziek in week 7 en vanaf week 14 tot en met 52 en ontvangt ziektewetuitkeringen. X doet aangifte IB/PVV 2022 met € 26.962 aan inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking en neemt € 4008 aan arbeidskorting in aanmerking. De inspecteur wijkt af van de aangifte en stelt de aanslag vast met € 915 aan arbeidskorting. In geschil is of ziektewetuitkeringen kwalificeren als inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking en of daarover recht op arbeidskorting bestaat.
Rechtbank Gelderland oordeelt dat de uitzendovereenkomst van rechtswege eindigt bij ziekmelding, waardoor geen dienstbetrekking meer bestaat op het moment dat X de ziektewetuitkeringen ontvangt. Sinds 1 januari 2020 kwalificeren ziektewetuitkeringen alleen als arbeidsinkomen indien een dienstbetrekking bestaat. Na de eerste ziekmelding in week 7 eindigt de overeenkomst. X en het uitzendbureau geven vervolgens feitelijk uitvoering aan een nieuwe overeenkomst vanaf week 8, die opnieuw van rechtswege eindigt bij de tweede ziekmelding in week 14. De verwijzing van X naar het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1657, BNB 2025/27, V-N 2024/51.7 treft geen doel, omdat dit arrest ziet op WGA-uitkeringen en niet op ziektewetuitkeringen. X' beroep is ongegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 8.1
Instantie: Rechtbank Gelderland
Rubriek: Inkomstenbelasting
Editie: 9 september
Informatiesoort: VN Vandaag