In het Weekblad fiscaal recht 1 schreef ik eens een column met de titel ‘Fortiter in modo’, een variatie op de oude lijfspreuk van de Belastingdienst ‘Fortiter in re, suaviter in modo’ (streng in de zaak (het recht), soepel in de uitvoering). Steeds vaker bekruipt mij het gevoel dat het ‘suaviter’-deel uit deze lijfspreuk volledig is verdwenen en het tegenwoordig vooral ‘fortiter in modo’ is geworden.

Ik moest hieraan weer denken na lezing van een uitspraak van Rechtbank Den Haag 2. Op de uitspraak zelf heb ik niks aan te merken, hulde voor de rechtbank. Maar wel dat het zo ver heeft moeten komen. Waar gaat het om? 

Een erflater is overleden en heeft 30 erfgenamen. Enkele van die erfgenamen wonen in Nieuw-Zeeland en hebben geen Nederlands burgerservicenummer (bsn). Dat is niet raar natuurlijk, want, tja, wat moet je daarmee in Nieuw-Zeeland? En dan begint de Nederlandse ambtelijke mallemolen te draaien. Om aangifte erfbelasting te kunnen doen, moeten – alle! – erfrechtelijke verkrijgers een Nederlands bsn hebben. Waarom dat moet? Geen idee. Dit staat, voor zover ik weet, in geen enkele belastingwet. Als buitenlander verkrijg je zo’n Nederlands bsn door middel van een woonplaatsverklaring bij de Nederlandse ambassade in het buitenland. Dus de buitenlandse verkrijger wordt gedwongen om wellicht honderden kilometers af te leggen naar de Nederlandse ambassade om een Nederlands bsn te verkrijgen. En dat voor zoiets plats als een aangifte erfbelasting. Dat is natuurlijk al een onredelijk verzoek aan een buitenlander. Maar … deze verkrijger doet dat. Vervolgens stuurt zij het aldus verkregen bsn naar de executeur-testamentair die daarmee aangifte erfbelasting doet. So far so good.

Wat is nu het probleem? Men kan zich natuurlijk goed voorstellen dat al dat gedoe om dat Nederlandse bsn te verkrijgen bij de Nederlandse ambassade in het buitenland, met het nodige tijdsverlies gepaard gaat. De aangifte erfbelasting kan dan niet binnen de voorgeschreven wettelijke termijn worden ingediend. Niet getreurd, je vraagt uitstel aan bij de Belastingdienst en dat krijg je doorgaans wel. Zo ook in deze zaak. Maar daardoor gaat wel de belastingrenteteller lopen. Dus nadat de buitenlandse verkrijger zich alle moeite heeft getroost om een voor haar verder overbodig bsn te verkrijgen, dat zij vermoedelijk nooit meer nodig zal hebben, alleen maar voor deze ene keer om aangifte erfbelasting in Nederland te kunnen doen, krijgt zij er als ‘beloning’ van de Nederlandse Staat extra belastingrente bij. In casu een bedrag van € 7.089. Daartegen gaat zij in bezwaar en zij krijgt gelijk van de rechter. De belastingrente gaat van tafel, want in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Eind goed, al goed.

Waarom wind ik mij hierover dan zo op? Omdat de Belastingdienst kennelijk zelf niet heeft kunnen bedenken dat het volstrekt onredelijk is om in deze zaak belastingrente te rekenen en de erfgenaam dus gedwongen heeft de gang naar de rechter te maken met alle kosten van dien. In deze zaak is zo snel als dat mogelijk was aangifte erfbelasting gedaan. Dat kon niet vanwege dat ontbrekende bsn, maar zodra dat er was, is zo snel mogelijk die aangifte gedaan. Waarom bedenk je dan als inspecteur niet dat het dan geen pas geeft om belastingrente te rekenen? En dan niet alleen de behandelend inspecteur maar ook zijn collega, want vóórdat de erfgenaam naar de rechter kon, moest hij eerst in bezwaar. En zo’n bezwaar wordt dan verplicht door een collega (mede) behandeld. Dus hier zijn minimaal twee belastinginspecteurs die dus kennelijk niet zelfstandig (kunnen) bedenken dat het op z’n zachtst gezegd overdreven is dat hier belastingrente is gerekend.

Maar het is nog erger, want uit de uitspraak blijkt dat het wel degelijk mogelijk was om zonder bsn een voorlopige aangifte te doen en een voorlopige aanslag erfbelasting aan te vragen. Alleen had de BelastingTelefoon dit de erfgenaam niet verteld. Die verwees haar enkel naar de website van de Belastingdienst waar alleen de mogelijkheid van aangifte doen met een bsn stond vermeld. Had de erfgenaam zo’n voorlopige aanslag aangevraagd en was de definitieve aanslag gelijk geweest aan die voorlopige aanslag, dan was er geen belastingrente gerekend. Zo’n voorlopige aangifte zonder bsn kan niet digitaal maar moet op papier. Maar, en nu komt het, de inspecteur verklaarde voor de rechtbank dat zo’n papieren aangifte evenwel wordt ontmoedigd, omdat het veel handmatig werk voor hem oplevert. Dat moet je even op je laten inwerken. Deze inspecteur vindt het dus geen enkel probleem om een buitenlandse erfgenaam mogelijk honderden kilometers te laten rijden om een voor hem verder volstrekt irrelevant Nederlands bsn aan te vragen bij de Nederlandse ambassade maar meneer de inspecteur vindt een handmatige aangifte verwerken een beetje te veel werk. Terwijl dit gewoon zijn werk ís! Hij wordt er nota bene voor betaald! Terwijl de erfgenaam voor dat vermaledijde bsn vermoedelijk vrij heeft moeten nemen en hem dit minimaal een vrije dag zal hebben gekost.

En kom mij niet aan met de rotsmoes dat de belastingrente nu eenmaal volgt uit de wet en de inspecteur hier ook niks aan kan doen. Niet waar! De inspecteur is de vertegenwoordiger van de overheid en heeft daarin een eigen verantwoordelijkheid. Hij is geen trekpop. En ik snap ook nog wel dat ‘Apeldoorn’ die belastingrente automatisch uitspuugt maar zodra de belanghebbende zich meldt, had de inspecteur die belastingrente onmiddellijk moeten schrappen, met aanbieding van welgemeende excuses! Daarom is er ook een belastinginspecteur van vlees en bloed en geen AI-robot. Maar je persisteert zeker niet in bezwaar en verklaart doodleuk voor de rechter dat het ook wel zonder belastingrente had gekund maar hij er dan meer werk aan had gehad. En dan mag deze erfgenaam vermoedelijk nog blij zijn dat deze inspecteur niet in hoger beroep is gegaan!

Rechtsstatelijk handelen, menselijke maat, het zijn allemaal mooie woorden maar ze blijken voor de bühne, zonder enige inhoud. Een andere lijfspreuk van de Belastingdienst was ook eens: leuker kunnen we het niet maken, wel gemakkelijker. Terecht is die spreuk inmiddels ook vervallen, want zelfs gemakkelijker kan de Belastingdienst het niet maken, zo blijkt. Want anders heeft de Belastingdienst er te veel werk aan! Wanneer dringt bij de Belastingdienst eens door dat de overheid er is voor de burger en niet omgekeerd? Waar zijn de inspecteurs gebleven die nog wel inlevingsvermogen hebben en meedenken met de burger? Fraudeurs moeten keihard worden aangepakt, natuurlijk, maar goedwillende compliante belastingplichtigen moeten worden gekoesterd en beschermd. Hopelijk trekt de Belastingdienst lering uit deze uitspraak. Nog mooier zou zijn als de inspecteur de erfgenaam opbelt, haar zijn excuses aanbiedt, en ruimhartig alle onnodige extra kosten die zij heeft moeten maken, vergoedt. Maar dat zal vast te veel gevraagd zijn.

------------------------------

1  E. Heithuis, Fortiter in modo!, WFR 2025/75

2 Rechtbank Den Haag, 22 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:15688

Informatiesoort: Column

Rubriek: Schenk- en erfbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht

Focus: Focus

31

Gerelateerde artikelen