X is door Hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor het plegen van bedrieglijke bankbreuk, begaan door een BV, terwijl X feitelijk leiding gaf aan de verboden gedraging. De BV bemiddelde bij de handel in nieuwe en bestaande BV's en adviseerde bij het vlot liquideren daarvan. X krijgt 16 maanden gevangenisstraf en hij mag vijf jaar geen bestuurder van een rechtspersoon meer zijn. X klaagt in cassatie over de motivering van het feitelijk leidinggeven en over de motivering van het daderschap van de rechtspersoon.
A-G Van Kempen is van mening dat voor het daderschap van een rechtspersoon cruciaal is of er tussen het strafbare feit en de rechtspersoon een dusdanig inhoudelijk verband bestaat dat het redelijk is de strafbare gedraging te zien als een gedraging van de rechtspersoon. Toerekening kan alleen als de rechtspersoon over het zich voordoen van het strafbaar feit reëel de controle had of kon hebben. De advocaat-generaal doet diverse suggesties tot versterking van het geldende beoordelingskader voor het daderschap van de rechtspersoon (het zgn. Drijfmest-kader, HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938, NJ 2006, 328). X speelde persoonlijk steeds een centrale rol bij de modus operandi: BV's in financiële nood kaal plukken en ter versluiering daarvan geen administratie bijhouden. De advocaat-generaal concludeert enkel tot gegrondverklaring, omdat in cassatie de redelijke termijn zal worden overschreden en de straf daarom gematigd moet worden.
Wetingang:
Wetboek van Strafrecht artikel 225
Instantie: Hoge Raad (Advocaat-Generaal)
Rubriek: Strafrecht
Editie: 30 september
Informatiesoort: VN Vandaag