Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat de inspecteur de uitkeringen uit de beroepsarbeidsongeschiktheidsverzekering van X terecht tot het box 1-inkomen rekent. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).

X sluit een beroepsarbeidsongeschiktheidsverzekering. In de aangiften IB/PVV 2011 en 2012 neemt X in box 1 zowel uitkeringen als premies voor particuliere verzekeringen in aanmerking. In 2018 legt de inspecteur op X’ verzoek navorderingsaanslagen over 2011 en 2012 op, waarbij de premieaftrek alsnog niet in aanmerking is genomen. In 2017 ontvangt X € 31.816 aan uitkeringen van de verzekeraar. De verzekeraar heeft hierbij loonheffing ingehouden. In geschil is of deze uitkeringen als periodieke uitkeringen belast zijn in box 1.

Hof ’s-Hertogenbosch (V-N 2025/18.1.4) oordeelt dat de inspecteur de verzekeringsuitkeringen terecht tot het box 1-inkomen van X heeft gerekend. De verzekering heeft tot doel een periodieke uitkering te verlenen bij derving van inkomen door de verzekerde ten gevolge van zijn (beroeps)arbeidsongeschiktheid. De uitkeringen vallen binnen de tekst van periodieke uitkeringen gedaan ‘ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval’. Het hof verwerpt X’ stelling dat beroepsongeschiktheid geen arbeidsongeschiktheid is. X’ hoger beroep is ongegrond. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.100

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.124

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Inkomstenbelasting

Editie: 30 september

Informatiesoort: VN Vandaag

3

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen