X ontvangt een belaste verkrijging van € 602.821 uit een nalatenschap. Zij woont in Nieuw-Zeeland en beschikt niet over een BSN. De executeur vraagt bij de Belastingdienst hoe een BSN kan worden verkregen en ontvangt aanwijzingen die leiden tot een procedure via de Nederlandse ambassade. De woonplaatsverklaring wordt verstrekt en X ontvangt haar BSN eind augustus 2023. Uitstel voor het doen van aangifte erfbelasting wordt verleend tot 1 november 2023. De executeur dient op 10 oktober 2023 de aangifte namens alle erfgenamen in. De inspecteur legt X een aanslag erfbelasting op en brengt € 7.089 aan belastingrente in rekening. X maakt bezwaar en stelt dat de vertraging uitsluitend voortvloeit uit de BSN eis voor buitenlandse erfgenamen.
Rechtbank Den Haag oordeelt dat de inspecteur in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel belastingrente in rekening brengt. De rechtbank stelt dat X steeds uitgaat van de door de Belastingdienst gewekte indruk dat aangifte erfbelasting doen alleen mogelijk is met een BSN voor alle erfgenamen. Pas na bezwaar wijst de inspecteur op de mogelijkheid van het aanvragen van een voorlopige aanslag erfbelasting zonder BSN. Verder geeft de inspecteur in het verweerschrift pas aan dat het indienen van een papieren aangifte erfbelasting zonder BSN wel mogelijk is. De rechtbank oordeelt dat X voortvarend heeft gehandeld en geen financieel nadeel mag ondervinden van het volgen van de door de Belastingdienst gewenste procedure. De belastingrentebeschikking wordt vernietigd.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 30G
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 3
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 4
Invorderingswet 1990 artikel 9
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden artikel 6
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden artikel 7
Instantie: Rechtbank Den Haag
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Schenk- en erfbelasting, Erfrecht
Editie: 26 juni
Informatiesoort: VN Vandaag