X is enig aandeelhouder en bestuurder van X BV. X BV heeft een pensioenverplichting en een stamrechtverplichting jegens X. X heeft een rekening-courantschuld aan X BV van € 4.598.233, waarover contractueel 5% rente per jaar verschuldigd is. X ontbindt X BV in 2019 door middel van een turboliquidatie. Over 2019 betaalt X geen rente aan X BV. De inspecteur legt een aanslag IB/PVV 2019 op en neemt de aanspraken als inkomen in box 1 in aanmerking, brengt revisierente van in rekening en merkt de niet-betaalde rente aan als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang. X gaat in beroep. In geschil is of X BV door turboliquidatie ophoudt te bestaan, of de pensioen- en stamrechtaanspraken terecht in box 1 belast zijn en of sprake is van een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang.
Rechtbank Gelderland oordeelt dat X zelf de ontbinding van X BV initieert door formulier 17a in te dienen bij de KvK. De handelsnaam betreft dezelfde entiteit. Omdat X BV een vordering op X heeft die hoger is dan de commerciële waarde van de aanspraken, zijn de aanspraken voor verwezenlijking vatbaar en merkt de rechtbank deze aan als loon uit vroegere dienstbetrekking. De revisierente over de pensioenaanspraak is juist berekend. Het recht op rentevergoeding is kennelijk prijsgegeven voorafgaand aan de ontbinding, hetgeen een winstuitdeling en daarmee een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang oplevert. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Wetingang:
Wet op de loonbelasting 1964 artikel 13
Wet op de loonbelasting 1964 artikel 19B
Wet op de loonbelasting 1964 artikel 38N
Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 artikel 3.12
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 30I
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 30I
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.12
Instantie: Rechtbank Gelderland
Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal ondernemingsrecht, Loonbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 26 juni
Informatiesoort: VN Vandaag