X VOF koopt sloopgoud in, dat na omsmelting wordt geëxporteerd naar Dubai. De nieuwe 21-karaat sieraden die daar worden gemaakt, verkoopt X VOF weer aan juweliers en particulieren. Volgens de inspecteur geeft X VOF niet al die verkopen aan. In geschil zijn de BTW-naheffingsaanslagen over 2012 tot en met 2015. X VOF stelt dat veel incourante nieuwe sieraden zijn omgesmolten en als sloopgoud retour naar Dubai zijn gegaan. Volgens Rechtbank Gelderland is het niet waarschijnlijk dat jaarlijks zeer grote delen van de nieuwe sieraden incourant blijken te zijn. Zowel X VOF als de inspecteur gaan in hoger beroep.
Hof Arnhem-Leeuwarden (V-N 2024/41.1.6) oordeelt dat voor alle kwartalen niet de vereiste BTW-aangiften zijn gedaan. De gedetailleerde administratie van een handelaar met wie X VOF veel zaken doet, stemt namelijk niet overeen met de administratie van X. Per kwartaal is € 61.210 (2012), € 73.466 (2013), € 32.730 (2014) en € 24.294 (2015) te weinig BTW op aangifte voldaan. De bewijslast wordt daarom omgekeerd en verzwaard. De correcties van de inspecteur zijn redelijk. Daarnaast heeft X VOF in veel gevallen ten onrechte het nultarief en de verleggingsregeling toegepast. De naheffingsaanslag over 2012 wordt echter vernietigd, omdat X VOF niet in de gelegenheid is gesteld te reageren op het voornemen tot het opleggen daarvan. Het besluitvormingsproces had zonder de schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel een andere afloop kunnen hebben gehad. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).
Wetingang:
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 8
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 12
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Omzetbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 26 juni
Informatiesoort: VN Vandaag