X exploiteert een advocatenpraktijk. Per 1 januari 2016 huurt X een bedrijfsruimte, waarbij in de huurovereenkomst is geopteerd voor BTW-belaste verhuur. Per 1 mei 2016, 13 februari 2017 en 1 mei 2017 verhuurt X een aantal bedrijfsruimten onder aan A, B en C, waarbij niet is geopteerd voor BTW-belaste verhuur. De huurovereenkomst met onderhuurder D is onvindbaar. Vanaf 1 juli 2017 brengt X BTW in rekening over de onderverhuur aan A, B en D. Deze BTW-verhoging kondigt X per e-mail aan aan onderhuurder A en D. De onderverhuur aan C blijft zonder BTW. Volgens X verhuurt hij 47,42 m² onder aan andere advocaten in het pand. Dit betreft bijna 20% van de in totaal door X gehuurde ruimten. De inspecteur bestrijdt het aantal m² dat X onderverhuurt. Naar aanleiding van een boekenonderzoek corrigeert de inspecteur onder meer de door X in aftrek gebrachte BTW op de huurprijs die de hoofdverhuurder aan X in rekening brengt. In geschil is of deze correctie juist is.
Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat X en de verhuurder ten onrechte BTW-belaste verhuur zijn overeengekomen, omdat een deel van het gehuurde BTW-vrijgesteld is onderverhuurd. X heeft daardoor geen recht op aftrek van de bij haar in rekening gebrachte huurpenningen. De rechtbank gaat ervan uit dat X in ieder geval meer dan 10% van de bedrijfsruimte onderverhuurt aan onderhuurders. X maakt niet aannemelijk dat in de schakel tussen X en haar onderhuurders is gekozen voor belaste verhuur. Daarom is in die schakel sprake van BTW-vrijgestelde verhuur. Dat leidt ertoe dat X het door haar gehuurde pand niet voor 90% of meer gebruikt voor BTW-belaste prestaties. X' beroep is ongegrond.
Wetingang:
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 15
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 11
Instantie: Rechtbank Noord-Holland
Rubriek: Omzetbelasting
Editie: 26 juni
Informatiesoort: VN Vandaag