De zogenoemde ruilarresten kunnen volgens de Kennisgroep winstbepaling niet worden toegepast wanneer een rechtstreeks gehouden effectenportefeuille wordt ingebracht in een fonds voor gemene rekening met FBI-status en de belegger daarvoor participaties ontvangt. Het gerealiseerde resultaat op de vervreemde effecten moet daardoor direct in de heffing worden betrokken. Volgens de kennisgroep is geen sprake van activa van “geheel gelijke aard”, een voorwaarde voor toepassing van de ruilgedachte uit de jurisprudentie van de Hoge Raad. Hoewel economisch dezelfde effectenportefeuille aan de participaties ten grondslag ligt, verschilt de positie van de belegger wezenlijk. Daarbij wijst de kennisgroep vooral op verschillen in fiscale behandeling. Zo wijken onder meer het moment van belastingheffing over koerswinsten en dividenden, de werking van de herbeleggingsreserve en de mogelijkheden voor verrekening van bronbelasting af van de situatie waarin effecten rechtstreeks worden gehouden.
Aanleiding vormt een herstructurering van discretionair vermogensbeheer. Klanten brengen hun aandelen- en obligatieportefeuilles in tegen marktwaarde en verkrijgen voor hetzelfde bedrag participaties in fondsen die gebruikmaken van de herbeleggingsreserve.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.25
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 8
Rubriek: Financieel recht, Inkomstenbelasting
Regelgevende instantie: Belastingdienst
Editie: 24 juli
Informatiesoort: VN Vandaag