De inspecteur stelt X op de hoogte van zijn voornemen om af te wijken van de door hem ingediende IB-aangifte 2020. De correctie betreft de in aftrek gebrachte hypotheekrente. X is het hier niet mee eens en beroept zich op het vertrouwen dat bij hem is gewekt door de gang van zaken met betrekking tot de IB-aangiften 2019 en 2021. Rechtbank Den Haag oordeelt dat X geen vertrouwen kan ontlenen aan het feit dat de IB-aangifte 2019, zonder inhoudelijke beoordeling, is gevolgd. De IB-aanslag 2020 blijft in stand.
Hof Den Haag oordeelt dat X geen vertrouwen kan ontlenen aan het volgen van zijn IB-aangiften 2019 en 2021 met betrekking tot de aftrek van eigenwoningrente. Er zijn geen omstandigheden die bij X de indruk kunnen wekken dat de door de inspecteur gevolgde gedragslijn berust op een weloverwogen standpuntbepaling. Voor de aangifte voor het jaar 2019 geldt dat de aangifte niet door het systeem is uitgeworpen voor handmatige behandeling en dat de aangifte niet door de inspecteur is gecontroleerd. Voor de aangifte voor het jaar 2021 geldt dat deze door een administratieve fout, ondanks het feit dat de inspecteur twee maal een voornemen tot afwijking van de aangifte heeft verzonden, conform de aangifte is opgelegd. Gezien deze gang van zaken kan X, ondanks de onzorgvuldigheid van de inspecteur, redelijkerwijs niet aannemen dat de inspecteur met betrekking tot de aftrek van de eigenwoningrente weloverwogen een tegengesteld standpunt heeft ingenomen. De aanslag blijft in stand.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.110
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.111
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.119A
Instantie: Hof Den Haag
Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 24 juli
Informatiesoort: VN Vandaag