A-G Koopman concludeert dat de sanctie van omkering van de bewijslast niet ‘criminal’ in de zin van art. 6 EVRM kan worden genoemd. De advocaat-generaal verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 1998.

Omdat X geen IB-aangiften indient, worden aan hem forse ambtshalve IB-aanslagen opgelegd met vergrijpboeten van 100% (van de verschuldigde box 1-belasting) en 300% (van de verschuldigde box 3-belasting). X is het hier niet mee eens en voert diverse, formele, verweren aan. Rechtbank Den Haag oordeelt dat de aanslagen correct zijn. De vergrijpboeten worden gematigd met 15% in verband met overschrijding van de redelijke termijn. In hoger beroep voert X onder andere aan dat hij niet op deugdelijke wijze is aangemaand, omdat hij in de jaren 2015 - 2019 in het buitenland verbleef en de Belastingdienst de aanmaningen naar zijn Nederlandse adres bleef sturen. Hof Den Haag oordeelt dat het ongeloofwaardig is dat X de aanmaningen niet zou hebben ontvangen. X heeft namelijk tijdig gereageerd met een verzoek tot uitstel op de in 2016 - 2018 verstuurde uitnodigingen tot het doen van IB-aangiften die naar zijn Nederlandse adres zijn verstuurd. Ook op andere correspondentie die naar het Nederlandse adres zijn verstuurd heeft X tijdig gereageerd. X gaat in cassatie en voert wederom diverse formele verweren aan. Zo stelt hij onder meer dat de omkering van de bewijslast ‘criminal’ is in de zin van art. 6 EVRM.

A-G Koopman concludeert dat de sanctie van omkering van de bewijslast niet ‘criminal’ in de zin van art. 6 EVRM kan worden genoemd. De advocaat-generaal verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 1998 (32417, ECLI:NL:HR:1998:AA2337, V-N 1998/35.8). Volgens de advocaat-generaal is er voor de Hoge Raad onvoldoende aanleiding om terug te komen op dit arrest. Koopman concludeert uiteindelijk wel tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie. X voert namelijk terecht aan dat het hof ten onrechte heeft vastgesteld dat de inspecteur alle bankrenseignementen van alle buitenlandse bankrekeningen heeft overgelegd. Verder is de advocaat-generaal van mening dat de opmerking van de inspecteur dat hij van plan is om een vergrijpboete van 50% op te leggen het vertrouwen wekt dat de boete maximaal 50% zal bedragen. De advocaat-generaal adviseert de Hoge Raad om de zaak te verwijzen. De advocaat-generaal gaat in de conclusie ook nog in op de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie. Daarbij wordt aandacht besteed aan de manier waarop belastingrechters de datum vermelden waarop hun uitspraak ter beschikking van partijen wordt gesteld. In de ogen van de advocaat-generaal laat de duidelijkheid van die vermelding, die de aanvang van de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel bepaalt, te wensen over.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 9

Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 27E

Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 27H

Instantie: Hoge Raad (Advocaat-Generaal)

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 7 mei

Informatiesoort: VN Vandaag

345

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen