X ontvangt aanslagen IB/PVV en brengt kosten voor aanmaning en dwangbevel in rekening. De ontvanger legt een vordering loonbeslag op het inkomen van X via het UWV en int bedragen. X maakt bezwaar tegen het loonbeslag en de in rekening gebrachte kosten. De ontvanger verklaart de bezwaren tegen het loonbeslag niet‑ontvankelijk en wijzigt de kostenbeslissingen deels. X stelt beroep in bij de rechtbank, die dat deels gegrond, deels ongegrond en deels niet‑ontvankelijk verklaart. X stelt vervolgens hoger beroep in en stuurt op 9 oktober 2024 een brief die het hof niet ontvangt. Op 13 november 2024 ontvangt het hof een nieuw schrijven met een kopie van deze brief en een kassabon van Deutsche Post voor frankeerlabels.
In geschil is of X het hoger beroep tijdig heeft ingesteld en of het incidenteel hoger beroep van de ontvanger ontvankelijk is.
Hof ’s‑Hertogenbosch oordeelt dat X het hogerberoepschrift drie weken na afloop van de termijn heeft ingediend en niet aannemelijk heeft gemaakt dat het stuk vóór het einde van de hogerberoepstermijn ter post is bezorgd. De overgelegde kassabon voor frankeerlabels toont geen verband met het gestelde poststuk. Verschoonbare termijnoverschrijding ontbreekt. Het hof verklaart het hoger beroep niet‑ontvankelijk en past art. 8:111 Awb toe, waardoor ook het incidenteel hoger beroep van de ontvanger niet‑ontvankelijk is.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.7
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.11
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.111
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 14 mei
Informatiesoort: VN Vandaag