Rechtbank Zeeland‑West‑Brabant oordeelt dat de inspecteur de verzuimboete wegens het niet tijdig indienen van de aangifte VPB 2021 terecht oplegt. De rechtbank beoordeelt het beroep op afwezigheid van alle schuld en verwerpt dit.

X BV ontvangt een uitnodiging om aangifte VPB voor het jaar 2021 te doen. De inspecteur stuurt een herinnering en vervolgens een aanmaning. De in de aanmaning opgelegde uiterste datum voor de aangifte is 17 augustus 2022. X BV dient de aangifte uiteindelijk in op 6 december 2023. Daarom stelt de inspecteur op 5 oktober 2024 de aanslag en een verzuimboete van € 2757 vast wegens te late indiening. X BV voert aan dat inlogproblemen en een gecombineerde weergave van eerdere jaren in het portaal tijdige indiening belemmeren. In geschil is of de inspecteur de verzuimboete voor de VPB-aangifte voor het jaar 2021 terecht en zonder matiging oplegt.

Rechtbank Zeeland‑West‑Brabant oordeelt dat X BV niet tijdig aangifte doet ondanks uitnodiging, herinnering en aanmaning en dat dit een verzuim vormt dat een verzuimboete rechtvaardigt. De rechtbank stelt dat opzet of schuld niet relevant is en dat X BV niet aannemelijk maakt dat sprake is van afwezigheid van alle schuld. De gestelde inlogproblemen en de presentatie van eerdere belastingjaren in het portaal zijn niet met bewijs onderbouwd. Ook het beroep op slechte financiële omstandigheden slaagt niet. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, matigt de boete niet en bevestigt dat deze passend en geboden is.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 67A

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 14 mei

Informatiesoort: VN Vandaag

14

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen