X BV heeft in verband met afstandsverkopen aan Belgische particulieren steeds Nederlandse BTW in rekening gebracht en op aangiften voldaan. In de betreffende jaren is echter de omzetdrempel (art. 5a Wet OB 1968) overschreden, waardoor België naheffingen aan haar heeft opgelegd. Zij dient vervolgens suppleties in en vraagt daarmee de Nederlandse BTW terug. De inspecteur wijst de verzoeken toe, maar stelt dat X BV geen recht heeft op invorderingsrente. Volgens Rechtbank Zeeland-West-Brabant is de BTW in strijd met het EU-recht geheven en heeft X BV recht op de invorderingsrente van € 188.832. De inspecteur gaat in hoger beroep.
Hof 's-Hertogenbosch oordeelt dat de aanvankelijk door X BV in Nederland aangegeven en afgedragen BTW een vergissing was en dat deze niet aan de inspecteur is te wijten. De vergissing is geheel toe te rekenen aan X BV zelf. De teruggegeven BTW kwalificeert daarmee niet als een in strijd met het EU-recht geheven belasting (zie HvJ EU 22 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:147, Gemeente Dinkelland, V-N 2024/44.18). Er bestaat dus geen recht op invorderingsrente. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.
Wetingang:
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 5A
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 27H
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 28
Invorderingswet 1990 artikel 28C
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Omzetbelasting, Invordering
Editie: 14 mei
Informatiesoort: VN Vandaag