De moeder van X heeft een stichting opgericht, waarin vermogen is ingebracht. De statutaire doelstelling is de bevordering van het onderwijs in moderne talen en de interculturele en intersociale uitwisseling tussen Nederland en België en volkeren uit de overige landen van Europa. In 1994-2008 koopt de stichting in totaal vier panden. Moeder overlijdt op 16 oktober 2013. Aan X, de zoon, tevens enig erfgenaam, is een aanslag erfbelasting opgelegd. Volgens de inspecteur is sprake van een Afgezonderd Particulier Vermogen (APV) en niet van een SBBI. Daarom wordt het vermogen van de stichting aangemerkt als erfrechtelijke verkrijging door X als gerechtigde tot afgezonderd particulier vermogen (art. 16 SW 1956). Hof Den Haag oordeelt dat terecht het volledige vermogen van de stichting aan moeder is toegerekend. De aanslag erfbelasting is daarom correct. X stelt in cassatie onder andere dat, wanneer al sprake is van het afzonderen van vermogensbestanddelen, ook een deel van het vermogen van de stichting aan hem moet worden toegerekend, omdat hij ook als inbrenger moet worden aangemerkt.
De Hoge Raad (V-N 2023/56.16) oordeelt dat het volledige vermogen van de stichting terecht aan moeder is toegerekend. X heeft weliswaar in hoger beroep gesteld dat moeder geen vermogen heeft afgezonderd, maar hij heeft niet aangevoerd dat hij ook zelf vermogen heeft afgezonderd in de stichting dat dan gedeeltelijk aan hem zou moeten worden toegerekend. Het hof hoefde zich hierover dan ook niet uit te laten. Voor het overige doet de Hoge Raad de zaak af onder verwijzing naar art. 81 lid 1 Wet RO. X verzoekt om herziening. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk, omdat het duidelijk niet kan slagen (art. 80a lid 1 Wet RO).
Wetingang:
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Schenk- en erfbelasting
Editie: 12 juni
Informatiesoort: VN Vandaag