Per 1 januari 2026 is art. 11 SW 1956 gewijzigd. Voor de liefhebbers van estate planning is dat geen nieuws. Niet-liefhebbers denken wellicht ‘boeien, het zal wel’. Deze Uitvergroot is voor beide groepen bedoeld.
In art. 11 lid 4 SW 1956 staat dat als een echtgenoot bij de ontbinding van het huwelijk meer verkrijgt dan de helft van de huwelijksgoederengemeenschap of meer dan de helft op grond van een verrekenbeding, het meerdere belast is met schenk- of erfbelasting. De meeste echtgenoten (en hun belastingadviseurs) halen de schouders op. Zij waren en zijn zich waarschijnlijk niet bewust van het feit dat een andere verdeling dan 50:50 mogelijk is. De niet-liefhebbers worden dus niet gehinderd door de fictie van dit wetsartikel. Fictie? Ja, inderdaad, want civielrechtelijk is het mogelijk om andere breukdelen overeen te komen. Voor de niet-liefhebbers: in art. 1:100 lid 1 BW staat dat een ander breukdeel dan 50:50 mogelijk is. Civielrechtelijk is er geen discussie of dit kan. Uit het arrest over de breukdelengemeenschap weten we dat een afwijkend breukdeel fiscaal wordt gevolgd en niet leidt tot heffing van schenk- of erfbelasting (HR 16 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:239, BNB 2024/41, V-N 2024/9.11).
Een voorbeeld voor de niet-liefhebbers: A heeft een vermogen van 90, B van 10. Zij trouwen in algehele gemeenschap van goederen en spreken af dat A gerechtigd is tot 10% van de huwelijksgoederengemeenschap en B tot 90%. Het is duidelijk dat er 80% aan vermogen verschuift. Volgens de Hoge Raad is die vermogensverschuiving onbelast. Art. 11 lid 4 SW 1956 bepaalt sinds 1 januari 2026 dat de vermogensverschuiving wel belast is voor het deel dat de helft overtreft. Gevolg: er is schenk- of erfbelasting verschuldigd over 40% bij ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap. Dus ja, een fictie. Is dat erg? Ach, een groot deel van de Successiewet bestaat uit fictiebepalingen. We leven ermee en zullen er niet van afkomen.
De liefhebbers lopen te hoop tegen de nieuwe regeling. Deze doet onrecht aan de mensen die om andere dan fiscale redenen tot afwijkende breukdelen komen. En er is geen tegenbewijs mogelijk, wat lastig is als je voor het huwelijk 70% had en jouw partner 30%. Een breukdelengemeenschap van 70:30 zal dan tot heffing kunnen leiden over vermogen dat je zelf al had. Allemaal waar, maar de wetgever heeft nu eenmaal anders bedacht. Niet mee eens? Dan maar procederen en het oordeel over de juistheid van deze fictie overlaten aan de Hoge Raad.
Slim omgaan met de huidige wetgeving is belangrijker. En daar komen de liefhebbers en de niet-liefhebbers samen. We weten nu wat fiscaal niet wordt gewaardeerd, maar we weten ook dat er binnen een relatie mogelijkheden zijn voor fiscale optimalisatie (wat dat ook moge zijn). Uit de wetsgeschiedenis blijkt duidelijk dat je kunt spelen met de gemeenschap van goederen. Laat maar een deel buiten de gemeenschap of verreken slechts een deel. Er kan en mag van alles, ook fiscaal, zolang dat wat gezamenlijk is maar netjes 50:50 wordt gedeeld. Maak van de nood een deugd. Leef je uit in creativiteit en bouw iets moois.