De vader van X is in 1995 overleden. Bij testament had hij zijn echtgenote, de moeder van X, tot enig erfgenaam benoemd. Tot zijn nalatenschap behoorde de echtelijke woning. X en zijn broer hebben destijds een beroep gedaan op hun legitieme portie, maar de nalatenschap is nooit verdeeld. De moeder overlijdt in 2019. In geschil is de aanslag erfbelasting. Volgens X had zijn moeder vanwege overbedeling een schuld aan hem en zijn broer. Daarnaast doet X een beroep op de partnervrijstelling. X woonde na het overlijden van zijn vader namelijk samen met zijn moeder in de woning en verleende mantelzorg.
De Hoge Raad oordeelt dat het beroep op de legitieme portie onder het erfrecht dat gold tot 1 januari 2003 niet leidt tot een vorderingsrecht, maar tot een goederenrechtelijke aanspraak. Omdat geen verdeling heeft plaatsgevonden, is geen schuld ontstaan en hoeft geen rente te worden berekend. De goederenrechtelijke aanspraak werkt door bij de bepaling van de nalatenschap van de moeder, wat resulteert in een correctie ter grootte van het 4/9e aandeel van de kinderen in het aandeel van de woning dat tot de nalatenschap van de vader behoorde. De partnervrijstelling is uitsluitend bedoeld voor personen met een wederzijdse zorgplicht, die is gerelateerd aan een samenlevingsverband dat geen verband houdt met bloedverwantschap in de rechte lijn. De keuze die in de wet is neergelegd, is niet in strijd met art. 1 EP of art. 14 EVRM. Het cassatieberoep van X is ongegrond.
Wetingang:
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden artikel 14