X verzoekt om herziening van de uitspraak van Hof ’s-Hertogenbosch van 4 oktober 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:4112, V-N 2019/7.1.3, waarin is geoordeeld dat de (navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw over de jaren 2005 t/m 2007 in verband met verzwegen inkomsten uit illegale activiteiten in stand blijven. Voor het jaar 2008 hebben partijen een compromis gesloten. X heeft tegen de hofuitspraak cassatieberoep ingesteld, maar dit is door de Hoge Raad met toepassing van art. 81 Wet RO ongegrond verklaard (HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1063, V-N 2020/31.25.7). X legt aan het onderhavige herzieningsverzoek ten grondslag dat in 2024 een bedrag van € 204.000 op een strafrechtelijke ontnemingsvordering is betaald door zijn moeder. Volgens X moet dit bedrag alsnog in aftrek worden toegelaten over de jaren 2005 tot en met 2008.
Hof ’s-Hertogenbosch wijst het herzieningsverzoek van X af omdat het is gebaseerd op feiten die zich hebben voorgedaan na de uitspraak waarvan herziening wordt verlangd of feiten die bij de uitspraak al bekend waren bij X. De betaling van de ontnemingsvordering vond pas in 2024 plaats en is daarom geen feit dat zich vóór de uitspraak van 2018 heeft voorgedaan. Bovendien kan een ontnemingsbetaling pas in aftrek komen in het jaar van betaling, voor eerdere jaren kan geen voorziening worden gevormd. Ook de stelling van X dat de inspecteur informatie zou hebben achtergehouden, dat het hof een processtuk ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten en dat hij recht heeft op aanvullende ISV, betreffen geen nieuwe feiten. De klachten over verrekeningen en invordering horen tot de bevoegdheid van de civiele rechter.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 16
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.119
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 2 juni
Informatiesoort: VN Vandaag