X is weduwe van een familielid van de oprichter van een familiestichting. De stichting is in 1907 is opgericht om de betreffende familie financieel te ondersteunen. Op 1 januari 2018 is het vermogen van de stichting ruim € 8 mln. De inspecteur rekent op basis van de stamboom 1,926% van dat vermogen aan X toe in box 3 en legt (navorderings)aanslagen over 2018 en 2019 aan haar op. Volgens de Hoge Raad (26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1389, V-N 2025/42.4) voldoet de heffing op basis van de APV-regeling op stelselniveau aan de ‘fair balance’. De inbreuk op art. 1 Eerste Protocol van het EVRM zou zich wel kunnen voordoen als X is geconfronteerd met een individuele en buitensporige last, maar dat is niet door haar gesteld. Volgt verwijzing. X is in 2025 overleden. De procedure is voortgezet door haar erfgenamen.
Hof Den Haag oordeelt dat na verwijzing niet alsnog kan worden getoetst of sprake is van een individuele en buitensporige last, omdat dit buiten de verwijzingsopdracht valt. Het beroep op een redelijke wetsuitleg, de beginselen van willekeur, détournement de pouvoir, rechtszekerheid en evenredigheid kan niet slagen. Voor zover wordt geklaagd over de VPB-positie van de stichting geldt dat dit geheel los staat van de onderhavige aanslagen. Het beroep is uitsluitend gegrond, omdat de navorderingsaanslag over 2018 en de belastingrente, alsmede de aanslag over 2019 inmiddels naar aanleiding van het Kerstarrest ambtshalve zijn verminderd. X krijgt een proceskostenvergoeding van € 5604 en een griffierechtvergoeding van € 184.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 2.14A
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden artikel 14
Instantie: Hof Den Haag
Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 15 juli
Informatiesoort: VN Vandaag