Volgens het kabinet moet CO2-beprijzing vooral via Europese instrumenten plaatsvinden, met name het EU ETS en het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM). Daarbij wordt benadrukt dat de Nederlandse industrie momenteel wordt geconfronteerd met knelpunten zoals hoge energiekosten, netcongestie en stikstofbeperkingen, waardoor bedrijven vaak onvoldoende handelingsperspectief hebben om te verduurzamen.
De vragen vanuit de Tweede Kamer richtten zich onder meer op de gevolgen van het schrappen van de heffing voor klimaatdoelbereik, investeringen in verduurzaming, beleidszekerheid en de concurrentiepositie van duurzame bedrijven. Het kabinet erkent dat afschaffing van de heffing de businesscase voor verduurzaming enigszins verslechtert en volgens het PBL kan leiden tot 0 tot 2 megaton extra uitstoot in 2030. Tegelijkertijd wijst het op aanvullende steunmaatregelen, waaronder verlenging van de SDE++, een hogere Energie-investeringsaftrek en jaarlijks circa € 1 miljard voor lagere elektriciteitskosten en compensatie van indirecte ETS-kosten.
Het kabinet wil verder inzetten op een sterker Europees klimaatbeleid en sluit aanvullende nationale maatregelen voor 2027 niet uit. Voor afvalverbrandingsinstallaties verandert vooralsnog niets: de CO2-heffing voor deze sector blijft bestaan. Over mogelijke alternatieven binnen het afvalbeprijzingspakket en het toekomstige tariefpad wordt uiterlijk op Prinsjesdag 2026 meer duidelijkheid gegeven.
Wetingang:
Wet belastingen op milieugrondslag artikel 71J
[Nieuwsbron] [Nieuwsbron] [Nieuwsbron] [Nieuwsbron]
Rubriek: Milieuheffingen
Regelgevende instantie: Ministerie van Financiën
Editie: 15 juli
Informatiesoort: VN Vandaag