Oekraïner X komt op 22 februari 2022 aan in Nederland. In verband met de Russische inval in Oekraïne keert hij niet terug naar huis, maar blijft hij in Nederland. In de periode maart 2021 – juni 2022 verricht X als zelfstandige werkzaamheden voor het Amerikaanse Q. Op 20 april 2022 sluit X een arbeidsovereenkomst met A BV en op 15 juni 2022 treedt hij in dienst van A BV. X en A BV verzoeken om toepassing van de 30%-regeling. De inspecteur wijst het verzoek af. Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de Oekraïense oorlogsvluchteling X kwalificeert als ingekomen werknemer voor de 30%-regeling. X woont volgens de rechtbank ten tijde van het aangaan van de arbeidsovereenkomst namelijk niet in Nederland en begeeft zich ook niet op de Nederlandse arbeidsmarkt.
Hof Amsterdam oordeelt dat de Oekraïense oorlogsvluchteling X niet kwalificeert als ingekomen werknemer voor de 30%-regeling. Het verrichten van werkzaamheden als zelfstandige in Nederland staat namelijk toepassing van de bewijsregel in de weg. Dat X zich met die werkzaamheden niet op de Nederlandse arbeidsmarkt heeft begeven is niet van belang. Het hof wijst er daarbij op dat X ten tijde van het aangaan van de arbeidsovereenkomst met X BV op 20 april 2022 zijn contract met Q nog niet had beëindigd en dat X de werkzaamheden voor Q in de maanden maart en april in Nederland heeft verricht. Het gelijk is aan de inspecteur.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 4
Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 artikel 10E
Wet op de loonbelasting 1964 artikel 31A
Instantie: Hof Amsterdam
Rubriek: Loonbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 16 juli
Informatiesoort: VN Vandaag