X houdt zich bezig met de in- en verkoop van elektrische huishoudelijke apparaten. In 2020 en 2021 koopt X goederen in bij de Duitse leverancier A en verkoopt deze via internet aan particulieren in Nederland. X past op deze verkopen de margeregeling toe. A heeft de goederen op zijn beurt ingekocht bij de bedrijven B en C. Het gaat om goederen die door klanten van B en C zijn geretourneerd, omdat zij niet voldoen aan de verwachtingen of schade hebben. A vermeldt op zijn facturen ‘steuerfrei, Innergemeinschaftliche lieferung’ of ‘steruerfrei, (Keine Steuer Innergemeinschaftliche Lieferung)’. Tijdens een boekenonderzoek stelt de inspecteur vast dat A de goederen zelf met BTW heeft ingekocht en intracommunautair heeft geleverd aan X, zonder toepassing van de margeregeling. De Duitse fiscus bevestigt dit. A heeft de door B en C in rekening gebrachte BTW in aftrek gebracht. De inspecteur legt naheffingsaanslagen BTW op van in totaal ruim € 1,6 miljoen, met verzuimboetes en belastingrente. In geschil is of de margeregeling van toepassing is.
Hof Amsterdam oordeelt dat X ten onrechte de margeregeling heeft toegepast op de bij A, een Duitse leverancier, ingekochte goederen. Bij de wederverkoop door A aan X kan geen cumulatie van BTW optreden. Daarom mag de margeregeling niet worden toegepast. De margeregeling mag alleen worden toegepast als zonder toepassing daarvan cumulatie van BTW en daardoor verstoring van de mededinging tussen belastingplichtigen dreigt. Bovendien zou toepassing van de margeregeling in strijd komen met de doelstelling van de algemene regeling van de BTW-richtlijn dat op de gehele vergoeding die aan de eindgebruiker in rekening wordt gebracht BTW rust. X' hoger beroep is ongegrond.
Wetingang:
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 28B