X is een bedrijfspensioenfonds dat pensioenregelingen met het karakter van een Collectieve Defined Contribution (CDC)-regeling uitvoert voor (voormalige) werknemers van de bij haar aangesloten ondernemingen. X kwalificeert niet als een instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe). X wordt gefinancierd door (toekomstige) pensioenontvangers en belegt volgens het beginsel van risicospreiding. Uit de pensioenreglementen volgt dat het opbouwpercentage als uitgangspunt is vastgesteld op 1,85% van de pensioengrondslag per jaar. Als de beschikbare premie ontoereikend is, kan dit opbouwpercentage worden verlaagd. Het bestuur van X kan de pensioenrechten- en uitkeringen aanpassen als de beleidsdekkingsgraad boven 110% uitkomt of beneden 100% zakt. In geschil is of de deelnemers aan het pensioenfonds het beleggingsrisico dragen en of X kwalificeert als een ‘ter collectieve belegging bijeengebracht vermogen’.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X niet aannemelijk maakt dat de deelnemers in de pensioenregeling een beleggingsrisico lopen dat vergelijkbaar is met dat van de deelnemers in een beleggingsfonds of -instelling. De rechtbank baseert zich hierbij het Stichting BPL Pensioen-arrest (HvJ 5 september 2024, C-639/22 tot en met C-644/22, ECLI:EU:C:2024:688, V-N 2024/39.15). In de situatie van X kunnen de bedragen van de pensioenrechten en -uitkeringen in ruime mate vooraf worden bepaald, op basis van het pensioengevend inkomen (op basis van een middelloonsystematiek) en het aantal dienstjaren. X maakt ook niet aannemelijk dat zij op grond van het beginsel van fiscale neutraliteit moet worden gelijkgesteld met pensioenfondsen die als gemeenschappelijke beleggingsfondsen worden aangemerkt. X heeft geen recht heeft op teruggaaf van omzetbelasting. X' beroep is ongegrond.
Wetingang:
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 11
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Omzetbelasting
Editie: 24 juni
Informatiesoort: VN Vandaag