X werkt als Rijnvarende voor een Liechtensteinse werkgever. X is het er niet mee eens dat de inspecteur zijn verzoek om vrijstelling van PVV-premies niet honoreert en gaat in beroep. Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X sociaal verzekerd en dus premieplichtig is in Nederland op grond van de door de SVB afgegeven A1-verklaring. De Wet IB 2001 biedt geen basis voor verrekening of aftrek van in Liechtenstein ingehouden werknemerspremies. Wel heeft X, op grond van de werkkostenregeling voor het jaar 2017, recht op een aftrek van 1,2% van het van zijn werkgever genoten loon. De rechtbank kent een aftrek van € 570 toe maar gaat niet in op de vraag of het belastbare loon naar een te laag bedrag is vastgesteld, omdat de inspecteur geen beroep heeft gedaan op interne compensatie.
Hof ’s-Hertogenbosch (V-N 2025/18.1.2) oordeelt dat de werkkostenregeling weliswaar van toepassing is ten aanzien van X, maar dat het loon van X eerder te laag dan te hoog is vastgesteld. De rechtbank heeft het loon en het belastbaar inkomen uit werk en woning voor 2017 ten onrechte verminderd. Het hof vernietigt dan ook de uitspraak van de rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de IB-aanslag 2017. Het hoger beroep van X is ongegrond. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.16
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.84
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Inkomstenbelasting, Premieheffing
Editie: 24 juni
Informatiesoort: VN Vandaag