X woont in 2019 met haar partner in Portugal en valt daar onder het Non Habitual Regime. X ontvangt uit Nederland een AOV-uitkering van € 25.915 en een WAZ-uitkering van € 15.783. X doet aangifte IB/PVV 2019 naar een belastbaar inkomen van € 41.698. De inspecteur legt de aanslag conform de aangifte op. X dient een herziene aangifte in, die de inspecteur behandelt als verzoek om ambtshalve vermindering en afwijst. De rechtbank verklaart het beroep gegrond ten aanzien van de AOV-uitkering en stelt het verzamelinkomen bij naar € 15.783, maar oordeelt dat over de WAZ-uitkering terecht IB is geheven. X stelt hoger beroep in. In geschil is of Nederland op grond van art.18 lid 2 van het Verdrag Nederland-Portugal heffingsbevoegd is over de WAZ-uitkering.
Hof 's-Hertogenbosch oordeelt dat de WAZ-uitkering wezenlijk verschilt van een AOW-uitkering, omdat de WAZ-premiebetaling wel een individuele aanspraak doet ontstaan. De WAZ-premies zijn in Nederland als persoonlijke verplichtingen dan wel als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aftrek gebracht, zodat sprake is van fiscale faciliëring in de zin van onderdeel a. De uitkering wordt in Portugal niet tegen het normale tarief belast, waarmee aan onderdeel b is voldaan. Nu de WAZ-uitkering ook meer bedraagt dan € 10.000, is aan alle cumulatieve voorwaarden van art. 18 lid 2 voldaan en komt het heffingsrecht toe aan Nederland. Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.124
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Inkomstenbelasting, Internationaal belastingrecht
Editie: 7 augustus
Informatiesoort: VN Vandaag