Hof Arnhem-Leeuwarden beslist dat X geen recht heeft op BTW-aftrek voor de aankoop van een Porsche. X is geen BTW-ondernemer en ook een samenwerkingsverband met zijn echtgenote is niet aannemelijk. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).

X koopt in 2016 een Porsche en trekt de BTW af in de BTW-aangifte. X verricht reparatie- verkoop-, vervoer- en factureringswerkzaamheden met betrekking tot een voorraad auto’s die eigendom zijn van X' echtgenote. De onderneming van de echtgenote is in liquidatie.

Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden (V-N 2023/39.1.3) is X geen zelfstandig ondernemer noch onderdeel van een samenwerkingsverband met zijn echtgenote. De BTW op de aankoop van de Porsche is niet aftrekbaar. X is geen ondernemer, omdat hij geen vergoeding voor zijn werkzaamheden bedingt. Een samenwerkingsverband is niet aannemelijk gemaakt. Betrokken partijen moeten daarvoor afspraken hebben dat zij welbepaalde economische activiteiten zowel onderling als naar buiten toe als één ondernemer verrichten. Verder moeten zij ook als zodanig handelen. X verklaart uitdrukkelijk dat geen sprake is van een vennootschap onder firma. Volgens het hof blijkt ook niet dat er een samenwerkingsverband met feitelijke maatschappelijke zelfstandigheid bestaat. Het is aannemelijk dat X meewerkt in de onderneming van zijn echtgenote. Tot slot leidt het toekennen van het BTW-nummer niet tot de conclusie dat X BTW-ondernemer is. Daarvoor zijn de criteria van art. 7 Wet OB 1968 leidend. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 7

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Omzetbelasting

Editie: 24 juni

Informatiesoort: VN Vandaag

21

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen