De Kennisgroep successiewet neemt het standpunt in dat sprake kan zijn van een schenking als een uit de wettelijke verdeling voortvloeiende uitgesteld opeisbare overbedelingschuld wordt afgelost tegen de nominale waarde.

Het gaat om de situatie waarbij de wettelijke verdeling van art. 4:13 BW van toepassing is op de verdeling van een nalatenschap. Door de wettelijke verdeling krijgt de langstlevende echtgenoot civielrechtelijk alle goederen en schulden van de nalatenschap. De kinderen krijgen een onopeisbare geldvordering jegens de langstlevende, die civielrechtelijk (nominaal) net zoveel waard is als hun erfdeel.

Bij het aflossen van de schuld door de echtgenoot kan volgens de Kennisgroep sprake zijn van een belastbare schenking. Dat is het geval wanneer een hoger bedrag wordt afgelost dan de contante waarde van de schuld (eventueel inclusief schuldig gebleven rente). De contante waarde moet volgens de Kennisgroep berekend worden door de nominale waarde van de schuld tegen een zakelijke rente contant worden gemaakt. De Belastingdienst gebruikt hiervoor de marktrente van art. 38p lid 1 Wet LB 1964.

Als de schuld een rente draagt en dit is een samengestelde rente die gelijk is aan of hoger dan deze marktrente, leidt het aflossen van de nominale waarde van de opgerente overbedelingsschuld niet tot een schenking. In dat geval kan het berekenen van de contante waarde achterwege worden gelaten.

Wetingang:

Successiewet 1956 artikel 1

Burgerlijk Wetboek Boek 4 artikel 13

Wet op de loonbelasting 1964 artikel 38P

[Nieuwsbron]

Rubriek: Schenk- en erfbelasting

Regelgevende instantie: Belastingdienst

Editie: 24 juni

Informatiesoort: VN Vandaag

8

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen