X ontvangt bij besluit van 3 april 2023 een Ziektewetuitkering met ingang van 20 december 2021. In april 2023 ontvangt X een nabetaling van € 964,16 over de periode 10 januari 2022 tot en met 31 januari 2022 en een nabetaling van € 17.500,94 over de periode 1 februari 2022 tot en met 28 februari 2023. X doet aangifte IB/PVV 2023 en geeft € 31.925 aan Ziektewetuitkering aan als inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking. De inspecteur legt de definitieve aanslag op naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.522 en behandelt de uitkering als inkomen uit vroegere dienstbetrekking. X maakt bezwaar en stelt dat de nabetalingen onbelast zijn op grond van art. 11 lid 1 sub e Wet LB 1964. In geschil is of de in 2023 ontvangen Ziektewetuitkering die betrekking heeft op eerdere jaren tot het belastbaar inkomen van 2023 behoort.
Rechtbank Gelderland oordeelt dat de Ziektewetuitkering belast is in het jaar van ontvangst. Op grond van de omkeerregel zijn aanspraken ingevolge werknemersverzekeringen vrijgesteld van loonbelasting, maar de daaruit voortvloeiende uitkeringen zijn belastbaar op het moment van daadwerkelijke ontvangst. Omdat X de uitkering in 2023 ontvangt en daarmee geniet, behoort deze tot het belastbaar inkomen van 2023. Dat een deel betrekking heeft op 2022 maakt geen verschil. De aanslag is niet te hoog vastgesteld. X’ beroep is ongegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.100
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.101
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.81
Instantie: Rechtbank Gelderland
Rubriek: Sociale zekerheid algemeen, Loonbelasting
Editie: 24 juni
Informatiesoort: VN Vandaag