Hof Amsterdam oordeelt dat het restant persoonsgebonden aftrek verplicht in mindering komt op het inkomen van het eerstvolgende kalenderjaar waarin voldoende inkomen aanwezig is en dat geen keuzemogelijkheid bestaat voor een later jaar.

Voor het belastingjaar 2018 stelt de inspecteur voor X een restant persoonsgebonden aftrek (PGA) van € 12.850 vast. X geniet in 2019 geen inkomen en in 2020 een inkomen uit dienstbetrekking van € 14.194. X neemt het restant PGA niet in aanmerking in de aangifte IB/PVV 2020, maar geeft in de aangifte IB/PVV 2021 een restant PGA van € 13.100 aan. De inspecteur weigert de aftrek in 2021 en corrigeert de aanslag. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. X gaat in hoger beroep. In geschil is of X het restant PGA in een later kalenderjaar naar keuze in aftrek mag brengen in plaats van in het eerstvolgende jaar met voldoende inkomen.

Hof Amsterdam oordeelt dat uit de wettekst van art. 6.1 lid 1 onderdeel b Wet IB 2001 en de wetsgeschiedenis volgt dat het restant PGA verplicht in mindering komt op het eerstvolgende kalenderjaar waarin dit mogelijk is. Het standpunt van X dat zij het restant PGA in een willekeurig later jaar naar eigen keuze in aftrek mag brengen, berust op een onjuiste rechtsopvatting. Aangezien X in 2020 voldoende inkomen heeft genoten om het restant PGA volledig te verrekenen, heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2021 terecht gecorrigeerd. Het hoger beroep is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 6.1

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 6.2

Instantie: Hof Amsterdam

Rubriek: Inkomstenbelasting

Editie: 7 augustus

Informatiesoort: VN Vandaag

20

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen