X is douane-expediteur en verzorgt aangiften met gebruikmaking van haar GPA-vergunning, die bepaalt dat aangiften enkel in eigen naam en voor eigen rekening mogen plaatsvinden. X doet in opdracht van Y BV invoeraangiften voor e-commercegoederen uit een derde land. Y BV is uitsluitend logistiek dienstverlener en koopt noch verkoopt de goederen. Y BV beschikt over een vergunning ex. art. 23 Wet OB, die per 1 januari 2018 is ingetrokken omdat de goederen niet voor haar bestemd zijn. X beschikt over een volmacht tot directe vertegenwoordiging van Y BV, maar brengt dit niet tot uitdrukking in haar aangiften. De inspecteur reikt uitnodigingen tot betaling (UTB) 1 (€ 147.272) en 3 (€ 1.225.786) uit, bestaande uit BTW, invoerrechten en rente op achterstallen. In geschil is of de UTB voor invoer-BTW, invoerrechten en rente op achterstallen terecht aan X zijn uitgereikt.
Hof Amsterdam oordeelt dat de uitnodigingen tot betaling (UTB) voor invoer-BTW terecht aan de douane-expediteur zijn uitgereikt, omdat de goederen niet bestemd zijn voor de vergunninghouder ex. art. 23 Wet OB 1968 en de expediteur directe vertegenwoordiging niet in haar aangiften verklaart. Y BV verricht uitsluitend logistieke diensten en betrekt de goederen niet zelf uit een derde land. X wordt, doordat zij de directe vertegenwoordiging niet tot uitdrukking brengt in haar aangiften, geacht op eigen naam en voor eigen rekening te handelen. X is daarom terecht als aangever en schuldenaar aangemerkt. Het neutraliteitsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel staan niet aan naheffing in de weg. X' hoger beroep is ongegrond.
Wetingang:
Algemene douanewet artikel 7.6
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 22
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 23
Instantie: Hof Amsterdam
Rubriek: Omzetbelasting, Douane
Editie: 10 juli
Informatiesoort: VN Vandaag