Elke ochtend, terwijl de koffie doorloopt, opent de gemiddelde Nederlander zijn telefoon. LinkedIn, Facebook, Instagram, TikTok. Gratis toch? Zo voelt het. En dat gevoel is prettig, voor de gebruiker én voor de techbedrijven die er al jaren van profiteren.
De Italiaanse belastingdienst dacht er in 2025 anders over. Meta, LinkedIn en X kregen BTW-naheffingsaanslagen van samen ruim € 1 mrd. opgelegd (zie ‘Brussel opent deur voor miljarden aan btw-afdracht socialemediabedrijven’, FD 1 december 2025). De gedachte erachter is dat gebruikers niet met geld betalen, maar met hun persoonsgegevens, die vervolgens worden doorverkocht aan adverteerders. Als die data als tegenprestatie voor de platformdienst kwalificeren, is er een belastbare prestatie waar BTW over zal moeten worden voldaan. Maar of het BTW-technisch ook zo eenvoudig ligt, dat is een andere vraag.
Voor een BTW-belaste prestatie is namelijk een rechtstreeks verband vereist tussen de geleverde dienst en de ontvangen tegenprestatie. Dat verband bestaat alleen als er een rechtsbetrekking is waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld en de ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor de verrichte dienst. Dat u met uw duimpjes omhoog het algoritme voedt is evident, maar daarmee zijn uw persoonsgegevens nog geen daadwerkelijke tegenprestatie voor de toegang tot het platform.
In 2018 was het Europese BTW-comité het hierover unaniem eens. Diensten die aan elke gebruiker onder gelijke voorwaarden worden aangeboden zijn niet belastbaar, omdat het rechtstreekse verband ontbreekt (zie onder meer Working Paper No. 958 van het BTW-comité van 30 oktober 2018, taxud.c.1(2018)6248826 en de daaruit volgende richtsnoeren). De verstokte socialmediagebruiker en de privacybewuste minimalist krijgen immers dezelfde tijdlijn te zien. Maar daarmee formuleerde het BTW-comité ook meteen de uitzondering. Zodra data wél de geboden functionaliteit bepalen, verandert dat het BTW-verhaal.
Precies dat bracht Italië in bij het BTW-comité. Wie zijn privacyinstellingen aanpast, merkt dat het platform minder functionaliteiten biedt. Minder data, minder diensten. In die specifieke situatie begint het rechtstreekse verband zichtbaar te worden (zie Working Paper No. 1118 van het BTW-comité van 11 november 2025, taxud.c.1(2025)11627393). Deze uitdaging zit hem vervolgens in één vraag: hoeveel zijn uw data eigenlijk waard? Het abonnementstarief dat sommige platforms hanteren biedt als referentiepunt enig houvast. Maar de 24/7-scroller levert nu eenmaal aanzienlijk meer data op dan wie zich weet te beheersen tot één scrollmoment per dag.
Onze Staatssecretaris van Financiën houdt het voorlopig bij de eerder gepubliceerde richtsnoeren van het BTW-comité (zie V-N Vandaag 2026/196). Zonder duidelijke juridische grondslag en zonder werkbare methode voor de maatstaf van heffing is heffing nu niet aan de orde. Naheffingsaanslagen opleggen voordat die grondslag er is, is weinig zinvol.
Toch lijkt de denkrichting duidelijk. Data worden door de opkomst van kunstmatige intelligentie alleen maar waardevoller en de politieke druk om techgiganten naar evenredigheid te belasten neemt toe. Vroeg of laat volgen nieuwe richtsnoeren van het BTW-comité. Het is dan afwachten hoe de rechter hiertegen aankijkt. Tot die tijd dragen de techgiganten de belasting die ze ogenschijnlijk al jaren verschuldigd zijn gewoon niet af. En in de BTW geldt maar één zekerheid: deze discussie is nog lang niet uitgescrold.
Informatiesoort: Uitvergroot
Rubriek: Omzetbelasting