X stelt cassatieberoep in en verzoekt vervolgens om wraking van twee leden van de Hoge Raad. De gewraakte leden delen mee niet in de wraking te berusten en zien af van een mondelinge toelichting.
De Hoge Raad verklaart het wrakingsverzoek kennelijk niet-ontvankelijk nu het betrekking heeft op twee raadsheren die niet belast zijn met de behandeling van de zaak. Op grond van art. 8:18 lid 3 Awb kan de meervoudige kamer in een wrakingszaak, indien het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, beslissen het verzoek zonder behandeling ter zitting af te doen zonder toepassing te geven aan art. 8:18 lid 1 en 2 Awb. Van kennelijke niet-ontvankelijkheid is onder meer sprake als het verzoek geen betrekking heeft op een met de behandeling van de zaak belaste rechter (Kamerstukken II 2023/24, 36463, nr. 3, p. 17-18). Die situatie doet zich in dit geval voor. Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.15
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.18
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 2 juni
Informatiesoort: VN Vandaag